ONDERWERPEN

Het milieubewustzijn van de armen, twintig jaar later: India, Mexico en Peru

Het milieubewustzijn van de armen, twintig jaar later: India, Mexico en Peru


We are searching data for your request:

Forums and discussions:
Manuals and reference books:
Data from registers:
Wait the end of the search in all databases.
Upon completion, a link will appear to access the found materials.

Door Joan Martinez Alier

Vanuit het oogpunt van de armen kunnen we de ontwikkeling van het kapitalisme (of het gegeneraliseerde marktsysteem) interpreteren als een voortdurende en groeiende Raubwirtschaft of roofzuchtige economie om kapitaalaccumulatie te stimuleren en de kosten van de rijken te dekken. Op deze manier begrepen, hebben de sociale bewegingen van de armen vaak een ecologische inhoud (misschien alleen impliciet) en proberen ze natuurlijke hulpbronnen te beschermen buiten de economische, handelseconomie, onder controle van de gemeenschap.


De webpagina van de Nicaraguaanse Digital Shipment verzamelt met de titel The environmentalism of the poor "de reflectie gepresenteerd door Juan Martínez Alier, specialist in ecologische economie, tijdens de seminar-workshop van de nieuwe Latijns-Amerikaanse linkerzijde, gehouden in Lima in februari 1992" . Ik herinner me de gelegenheid nog goed, het ging over het introduceren van milieukwesties in de bespreking van het zogenaamde Sao Paulo Forum vóór de VN-conferentie in Rio de Janeiro in juni 1992. Mijn Peruaanse vrienden hadden me voor die bijeenkomst uitgenodigd. De spanning in de straten was duidelijk, het duurde acht maanden voordat de leider van het Lichtend Pad werd gearresteerd. Bekende politici en economen van Latijns-Amerikaans links waren aanwezig, zoals Aurelio García, Lula's adviseur die hij vele jaren eerder had ontmoet aan de Staatsuniversiteit van Campinas. Er was Daniel Ortega, er was het personeel van de PRD van Mexico. Zij, als potentiële heersers, waren bang dat de Earth Summit de mode voor milieubewustzijn zou verankeren, een luxe van de rijken die de economische ontwikkeling zou belemmeren en de soevereiniteit over hun natuurlijke hulpbronnen zou beperken. In Rio de Janeiro zouden internationale verdragen over klimaatverandering en biodiversiteit worden gesloten, maar deze kwesties waren verre van zijn zorgen. Ze voelden zich niet bezorgd over klimaatonrechtvaardigheid of biopiraterij. Ze claimden nog steeds geen enkele ecologische schuld, hoewel de kwestie op het punt stond door enkele Latijns-Amerikaanse milieuactivisten ter sprake te komen. Het verlies van het vochtige tropische woud, zo relevant voor Peru, Brazilië en Mexico, stond hen onverschillig.

In 1988 had James O'Connor, een marxistische econoom die bekend staat om zijn boek The State Fiscal Crisis of 1973 (dat vandaag weer erg relevant is aangezien de overheidsschulden zo sterk zijn toegenomen met de crisis van 2008-2009), het tijdschrift Capitalism, Nature, Socialism, gelanceerd. pleiten voor eco-socialisme, en volgens de I sinds 1990 gepubliceerd in Barcelona Political Ecology (www.ecologiapolitica.info). Ook bij de uitgeverij Icaria publiceerde ik in 1992 mijn boek From the ecological economy to popular ecology, heruitgegeven door de anarchistische uitgeverij Nordan van Uruguay. Sommige Latijns-Amerikaanse ngo's en milieunetwerken waren het eens over het perspectief van "populair milieubewustzijn" of "populair milieubewustzijn" (wat synoniemen zijn).

Maar mijn pogingen in 1992 in Lima om Latijns-Amerikaans politiek links richting eco-socialisme te duwen, leidden tot een grote mislukking en zelfs een paar grappen. Het was duidelijk dat milieubewustzijn hen onzin vond. Ik miste kracht. Ik heb je nog niet verteld dat de gletsjers van de Andes sneller zouden smelten dan het kapitalisme. Nieuwe sociale bewegingen, zoals de rubbertappers in Acre (Brazilië), riepen deze vragen echter al op. Een groot deel van het Amazonewoud zou kunnen verdwijnen vóór het kapitalisme en, zonder twijfel, als resultaat van het kapitalisme.

Jaren later wijzen de presidentskandidaten van Marina Silva in Brazilië en Marco Arana in Peru in 2010 en 2011 eindelijk op een verandering. Maar voor Latijns-Amerikaanse presidenten, of het nu neoliberalen zijn zoals Alvaro Uribe of Alan García, of sociaal-democraten zoals Lula succesvol zijn geweest, of van nationalistisch links zoals Hugo Chávez of Cristina Fernández, populair milieubewustzijn is iets vervelends als het geen vijand is. "Kindermilieuactivisme" noemt het Rafael Correa (hoewel hij het Yasuní ITT-initiatief steunt en de grondwet van 2008 van Ecuador een milieuactivist is). Weigeren om rijkdom te ontginnen, leven als bedelaars op bergen van zilver, lijkt absurd voor degenen die voorstander zijn van een ontwikkelingsbeleid dat we bij terugkerende kritiek ouderwets en 'seniel' noemen. Alan García, die een vrijhandelsovereenkomst met de Verenigde Staten heeft bekrachtigd, wil koste wat het kost inheemse en gemeenschapsgronden beschikbaar stellen voor investeringen in exportartikelen. Met de metafoor van "de hond in de kribbe" spreekt hij zich uit tegen de inheemse bevolking van Peru die er al millennia woont en 500 jaar extreem racisme, Spaanse en Creoolse apartheid heeft overleefd. Een soortgelijk enthousiasme verenigt alle presidenten van Zuid-Amerika in de grote openbare werken, de IIRSA, om opnieuw de primaire export te promoten zodra ze uit de economische crisis van 2008-2009 komen.

Marina Silva (die afkomstig is van de beweging van de rubberen klepstoters in Acre) nam in 2008 ontslag na jarenlange strijd van het Ministerie van Milieu tegen Lula's anti-milieubewustzijn. Het populaire milieubewustzijn gaat echter vooruit en sleept een stoet van niet-geregistreerde slachtoffers voort, als een spontane reactie, geholpen door ngo's en milieunetwerken op de winning van biomassa, mineralen, fossiele brandstoffen, water en de productie van afval, ten koste van de allerarmsten. en minder krachtig.

Het verhaal was nog niet voorbij

Ik vertelde hen in 1992 in Lima dat er groepen waren in de Verenigde Staten en elders die, met hun vreugde over de westerse triomf in de koude oorlog (opnieuw veel gevierd in 2009, de twintigste verjaardag van de val van de Berlijnse muur), wilde niet zien dat de sociale strijd in een steeds ongelijke wereld zou voortduren. Ze zagen ook niet dat de betreurenswaardige regimes van de USSR en Oost-Europa die strijd eerder in bedwang hielden dan aanwakkeren, door een deel van de armen van de wereld te misleiden, door ze onder elkaar te verdelen: degenen die Moskou trouw waren en degenen die een grotere helderheid behielden. andere socialistische tradities of ze gingen door met spontane rebellie of gedempt verzet. De plak van de bureaucratische "communistische" partijen was eindelijk opgeheven en andere kleine partijen die de Oktoberrevolutie van 1917 hadden genoemd, vaak samengesteld uit eerlijke maar sektarische mensen, hadden geen zin meer. Ik vertelde hen dat ecologische obstakels voor economische groei steeds meer voelbaar zouden zijn en dat het moeilijk zou zijn om mensen te entertainen met de belofte van economische groei voor iedereen. Zoveel opzettelijke blindheid zou gepaard moeten gaan met ezeloren.

De markt heeft een negatieve invloed op de ecologie. En de geplande economieën?

Groene economie stelt terecht dat de markt niet garandeert dat de economie past bij de ecologie, aangezien de markt de toekomstige behoeften onderschat en geen rekening houdt met externe schade aan zakelijke transacties. Nu, ondanks deze fundamentele tekortkoming, legt de markt een zoektocht naar winst op, wat bijdraagt ​​aan een efficiënter gebruik van hulpbronnen, zoals werd gezien na de stijging van de olieprijzen in 1973. Laten we eens kijken of de markt de ecologie schaadt, wat was gebeurd in geplande economieën? Ze hadden niet alleen betrekking op de uitbuiting van werknemers ten behoeve van een bureaucratische laag, maar ze vertrouwden ook op een ideologie van economische groei ten koste van alles, ze vertoonden een grote inefficiëntie in het gebruik van hulpbronnen (deels als gevolg van het ontbreken van prikkels die de markt biedt) Bovendien misten ze door het ontbreken van vrijheden milieubewegingen die zouden bijdragen aan hun acties om de kosten te verhogen die bedrijven of overheidsdiensten moeten betalen wanneer ze het milieu vernietigen. Er kon dus geen sterke anti-nucleaire beweging in de Sovjet-Unie zijn.

Daarom opende het verdwijnen van deze regimes goede vooruitzichten voor andere socialistische stromingen (waar socialisme gelijkheid betekent, een globalistische visie, controle van de gemeenschap - niet door de staat - over de productiemiddelen) en vooral voor eco-socialisme gebaseerd op het milieubewustzijn van de armen. De marxisten moesten recyclen, als ze tijd hadden, maar de liberalen hadden niet gewonnen.

Milieubewustzijn is geen beweging van de middenklasse van de noordelijke landen

Het zou kunnen lijken dat milieubewustzijn een beweging was van rijke landen die eind jaren zestig en begin jaren zeventig groeide, en dat het in de jaren tachtig electoraal werd geïmplanteerd in sommige Europese landen. Voor sommigen zou milieubewustzijn slechts een nieuwe mono-thematische sociale beweging zijn, typisch voor welvarende samenlevingen, typisch voor een post-materialistisch tijdperk. Die uitlegging moest worden afgewezen. In de eerste plaats was milieubewustzijn - onder andere namen - niet nieuw. Ten tweede verbruiken welvarende samenlevingen, die verre van postmaterialistisch zijn, enorme en toenemende hoeveelheden materialen en energie en produceren zo steeds meer afval. De stelling dat milieubewustzijn sociale wortels heeft die voortkomen uit welvaart zou in ieder geval kunnen worden geponeerd, niet in termen van een correlatie tussen rijkdom en 'post-materialistische' interesse in kwaliteit van leven, maar juist in termen van een correlatie tussen rijkdom en afvalproductie en uitputting van hulpbronnen. Amerika's antinucleaire beweging kon alleen ontstaan ​​waar massaal energieverbruik en militarisering leidden tot de bouw van kerncentrales. (Ook in Mexico is er verzet tegen kerncentrales zoals in Patzcuaro en Laguna Verde, en in Brazilië in Angra dos Reis). Het zou natuurlijk absurd zijn om het milieubewustzijn van de verlichte middenklasse, soms verbonden met populaire sectoren, te ontkennen. Maar - zei ik tegen hen - er was ook een milieubewustzijn van louter overleven, een milieubewustzijn van de arme en verarmde inheemse bevolking dat maar weinigen in rijke landen hadden opgemerkt tot de moord op Chico Mendes in december 1988, hoewel er in het zuiden zoveel voorbeelden waren .

Het zijn ecologische bewegingen - in welke taal ze zich ook uitdrukken - in die zin dat hun doelstellingen worden gedefinieerd in termen van de ecologische levensbehoeften: energie (inclusief calorieën uit voedsel), water, ruimte om te schuilen. Het zijn ook milieubewegingen omdat ze natuurlijke hulpbronnen proberen te verwijderen uit de economische sfeer, uit het gegeneraliseerde marktsysteem, uit handelsrationaliteit, uit chrematistische waardering (waardevermindering tot geldelijke kosten en baten) om ze in stand te houden of terug te brengen naar oikonomia (in de betekenis waarin Aristoteles het woord gebruikte, vergelijkbaar met menselijke ecologie, in tegenstelling tot chrematistisch).

Is armoede een oorzaak van aantasting van het milieu?

Het onderzoek naar het milieubewustzijn van de armen zou kunnen worden gepresenteerd onder kopjes als "de uitbreiding van het kapitalisme en de gevolgen daarvan voor het milieu en voor de armen" of, in een ander paradigma, "de sociale en ecologische gevolgen van de moderniteit". Maar in deze formuleringen zijn de armen aanwezig als inerte wezens, terwijl zij de belangrijkste actoren waren bij het in stand houden van natuurlijke hulpbronnen.

Er wordt bezwaar gemaakt. Laten we accepteren dat er bewegingen zijn van de armen (op het platteland en in de stad) om toegang te krijgen tot natuurlijke hulpbronnen (land om te cultiveren, bossen en weilanden, water om het platteland te irrigeren of voor huishoudelijk gebruik in steden, groene stedelijke gebieden), maar die hebben moeite om toegang tot natuurlijke hulpbronnen, impliceren ze een verlangen om te behouden, of zijn ze op zichzelf een dreiging van vernietiging? Het antwoord is dat het gegeneraliseerde marktsysteem en / of staatscontrole over natuurlijke hulpbronnen een logica van korte tijdshorizons impliceren zonder rekening te houden met ecologische kosten. Dus de armen, door duurzame toegang te eisen tot hulpbronnen en milieudiensten tegen kapitaal en / of tegen de staat, dragen tegelijkertijd bij aan het behoud ervan.

De ideologie van vooruitgang deed ons de natuur en huishoudelijk werk vergeten

Net zoals de patriarchale macho-ideologie de verwaarlozing van de economische wetenschap in de richting van onbetaald huishoudelijk werk heeft beïnvloed, heeft de ideologie van de vooruitgang de onoplettendheid die de economische wetenschap toont ten aanzien van milieudiensten aan de economie, niet gewaardeerd in geld of ondergewaardeerd, beïnvloed.

De deelname van vrouwen aan populaire milieustrijd is misschien wel belangrijker dan die van mannen, in tegenstelling tot vakbondsstrijd. Waarom? Kunnen we aannemen dat vrouwen dichter bij de natuur staan, dat ze zich ermee identificeren vanwege haar biologische rol bij de voortplanting van de soort? Of is het dat hun rol in de sociale arbeidsdeling, hun gespecialiseerde banen in de huiselijke sfeer, hen tot middelen maken van de bevrediging van de levensbehoeften, de voorziening van voedsel, water en brandstof? Om deze reden is het nodig om de banen en het bewustzijn van vrouwen te bestuderen om het milieubewustzijn van de armen te onderzoeken.

Het beeld dat de Brundtland-commissie (1987) verspreidde, was dat armoede, evenveel of meer dan rijkdom, een oorzaak is van aantasting van het milieu. Ze stellen zich boerenvrouwen voor die elke laatste tak van de laatste boom in het dorp verbranden omdat ze geen gas kunnen kopen om te koken, of boerinnen die de vruchtbaarheid van de grond opofferen omdat ze geen geld hebben om kunstmest te kopen. Zowel op het platteland als in de stad hebben de armsten geen water van goede kwaliteit en in voldoende hoeveelheid, met de daaruit voortvloeiende risico's voor hun gezondheid. (In die tragische jaren was cholera weer opgedoken in Lima).

Armoede is daarom vaak de oorzaak van aantasting van het milieu. Geef maar toe. Dus "milieubewustzijn van de armen" betekent niet dat arme mensen zich altijd gedragen of kunnen gedragen als milieuactivisten.

Het betekent het volgende: in de ecologisch-distributieve conflicten die voortkomen uit het toenemende metabolisme van de economie, leiden de belangen en waarden van de armen er vaak toe dat zij het behoud van de natuur bevorderen.

Populair milieubewustzijn of eco-socialisme

Vanuit het oogpunt van de armen kunnen we de ontwikkeling van het kapitalisme (of het gegeneraliseerde marktsysteem) interpreteren als een voortdurende en groeiende Raubwirtschaft of roofzuchtige economie om kapitaalaccumulatie te stimuleren en de kosten van de rijken te dekken. Op deze manier begrepen, hebben de sociale bewegingen van de armen vaak een ecologische inhoud (misschien alleen impliciet) en proberen ze natuurlijke hulpbronnen te beschermen buiten de economische, handelseconomie, onder controle van de gemeenschap.

Dit perspectief staat haaks op de conventionele economie, die een oorzaak ziet van de achteruitgang van het milieu in de tragedie van de commons, en die de toekenning van eigendomsrechten over het milieu en de uitwisseling op de markt van ecologische waarden, of de tussenkomst van de staat met regelgevende maatregelen, terwijl de staten, als actoren van industrialisatie en militarisering, tot de grootste vijanden van het milieu behoren.

Deze sociale bewegingen - expliciet ecologisch of niet - strijden tegen luchtvervuiling in populaire wijken van steden en voor groene ruimtes tegen stedelijke speculatie, ze vechten in de buitenwijken van arme steden om voldoende drinkwater te hebben, ze zijn historische strijd tegen zwaveldioxide in Río Tinto in Andalusië in de jaren 1880, of in La Oroya, in Peru, tegen de Cerro de Pasco Copper Corporation veertig jaar later. Het zijn gevechten tegen de papierbedrijven om de bossen te behouden en om het land te beschermen tegen de waterkrachtcentrales, om de ambachtelijke visserij te redden - de zee als heilig beschouwen, zoals in Kerala. Het zijn strijd op de katoenvelden van Midden-Amerika en strijd van de vakbond César Chávez in Californië tegen DDT en andere pesticiden, strijd voor gezondheid op de werkplek en ook tegen militarisering.

Het lijkt misschien dat de incidentie van milieubewustzijn door de armen alleen plaatselijk is, maar ook internationale aspecten omvat. In 1992 werd NAFTA, de vrijhandelsovereenkomst tussen de VS, Mexico en Canada, besproken. In Lima zei ik dat de Mexicaanse boerenlandbouw superieur was aan die van de Verenigde Staten vanuit het oogpunt van energie-efficiëntie en behoud van de biodiversiteit van maïs. Mexico exporteerde echter goedkope olie naar de Verenigde Staten, die naar Mexico terugkeerden, gedeeltelijk omgezet in geïmporteerde maïs met hoge energiekosten en een zwakke genetische interesse. Maar dit graan zou de boerenlandbouw in Mexico gemakkelijk kunnen ruïneren. Een pro-campesino-nationalistische reactie zou een langere tijdshorizon aannemen en weigeren olie te exporteren, behalve tegen prijzen die de behoeften van toekomstige Mexicaanse generaties niet zouden vergeten. In plaats van de NAFTA te ondertekenen, zou Mexico zich bij de OPEC moeten aansluiten.

Ecosocialisme is meer typerend voor het Zuiden dan voor het Noorden, juist omdat in het Zuiden antikapitalistische strijd vaak ecologische strijd is. Bovendien heropende het ecologische perspectief de discussie over 'ongelijke uitwisseling', zette een theorie van onderontwikkeling op de agenda als een effect van afhankelijkheid die niet alleen tot uiting komt in de onderwaardering van de arbeidskrachten van de armen in de wereld, of in de seculiere verslechtering van de prijzen van geëxporteerde grondstoffen, maar ook in de ongelijke uitwisseling tussen niet-hernieuwbare of langzaam hernieuwbare producten - inclusief bodembemestingselementen die in de landbouwexport worden verwerkt - en geïmporteerde producten met weinig ecologische waarde. Dit was de geschiedenis van de export van olie en gas, en andere mineralen en metalen, maar ook van guano en vismeel uit Peru. We zouden hier ook de reactie kunnen toevoegen tegen de export van het noorden naar het zuiden van giftig afval en de conflicten die worden veroorzaakt door de toename van het "broeikaseffect". (Een paar jaar later voegden we de effecten toe van de export van tientallen miljoenen tonnen sojabonen, zoals Walter Pengue in Argentinië ging studeren).

In sommige delen van de wereld was de kwestie van het bestaan ​​van een milieubewustzijn van de armen niet van belang. In de geschiedenis van het Noord-Amerikaanse milieubewustzijn bijvoorbeeld, is er de ideologie van Gifford Pinchot dat het behoud van hulpbronnen verenigbaar is met hun exploitatie volgens duurzame opbrengsten en de ideologie van John Muir en de Sierra Club, om sommige ruimtes in hun wild te behouden. staat puur. In de Verenigde Staten was het in deze controverse van de eerste jaren van de twintigste eeuw nutteloos om te vragen aan welke kant de armen stonden. (Maar in de jaren tachtig werd de Verenigde Staten geboren als een derde milieubeweging voor milieurechtvaardigheid en tegen "milieuracisme", dat al in 1992 in Lima had moeten worden genoemd).

Antikapitalistische strijd is, zelfs zonder het te weten, strijd voor het milieu

Ecologische critici van de economische wetenschap geïdentificeerd met de armen van de wereld kwamen tot de conclusie dat milieuverplichtingen zichtbaar worden wanneer ze protesten tussen sociale groepen veroorzaken: dat is een marxistisch perspectief omdat het ecologische kritiek op de economie koppelt aan sociale strijd. Een herziene en vernieuwde Marx.

De Chipko-beweging in de bossen van de Himalaya en de strijd tegen dammen in de Narmada-vallei waren bekend in milieuvriendelijke omgevingen in Noord-Amerika of Noord-Europa, maar ze waren niet zo bekend in Mexico, waar er ook inheemse strijd was voor het behoud van de bossen. tegen de papierbedrijven. Niet in Brazilië, waar werd gestreden tegen de eucalyptusplantages van Aracruz, tegen hydro-elektriciteit (met het "Atingidos por Barragens" -netwerk), exportmijnen en veeteelt.

We hebben zojuist de spontane milieubewegingen van het Zuiden ontdekt, historisch en actueel, onafhankelijk van de invloed van het Noorden. Zo konden in India de werken van activistische milieubeweging worden gezien in de prachtige rapporten getiteld The State of India’s Environment, gepubliceerd door Anil Agarwal van het Center for Science and Environment. In 1992 noemden Latijns-Amerikaanse activisten elkaar echter zelden en wat er in India gebeurde, had geen invloed op "Indië". (Wat er in Afrika gebeurde, zou in 1995 internationaal populair milieubewustzijn bereiken met de dood van Ken Saro-Wiwa en zijn collega's in conflict met Shell en de militaire dictatuur. In dat jaar werd Oilwatch opgericht met activisten uit Ecuador, Nigeria en andere landen) .

Een nieuw socialistisch of neo-narodnistisch milieubewustzijn

Het agrarisch milieubewustzijn zou Marx zelf misschien hebben behaagd, aangezien hij aan het einde van zijn leven sympathiseerde met de radicalere vleugel van het Russische narodnisme. Het label narodnik of agrarista (zoals dat in Mexico werd gezegd) of campesinista of 'populistisch' betekende in Rusland in de tweede helft van de 19e eeuw: het geloof in de directe overgang naar het socialisme op basis van de boerengemeenschap. Daarom werd Mariátegui's marxisme beschreven als 'populistisch'. De Russische slogan "Land en vrijheid" werd in 1910 door Zapatismo in Mexico aangenomen, misschien via Spaanse anarchisten.

Sinds 1970 wordt de moderne landbouw en de huidige economie in het algemeen bekritiseerd omdat het een verspilling van fossiele brandstoffen, milieuvervuiling en een verlies aan biodiversiteit inhoudt dat groter is dan de "traditionele" landbouw en de pre-industriële economie. Dit huidige verband met de nieuwe ecologische economie en ook met het spontane milieubewustzijn van de armen. Het lijkt misschien dat een pro-boerenhouding geen nadruk legt op sociale differentiatie. In de mate dat dit eco-socialisme of ecologisch agrarisme een verdediging is van een morele economie, van een ecologische economie, tegen de penetratie van het gegeneraliseerde marktsysteem, kan deze benadering nuttig zijn om een ​​aantal sociale strijd in het Zuiden te begrijpen, en niet alleen om ze te begrijpen, maar ook om ze te ondersteunen.

Het woord narodnisme moet worden gebruikt met zijn landelijke connotaties, omdat plattelandsarbeiders een echt bevoorrechte plaats innemen in het milieuactivisme van de armen. Ze hebben direct toegang tot zonne-energie en als ze toegang hebben tot akkerland, hebben ze ook toegang tot de bemestende elementen van de bodem, tot regenwater. Hoewel boeren het grootste deel van hun oogst op de markt verkopen, kunnen ze zich gemakkelijker van de markt terugtrekken dan andere arbeiders.

Als narodniki wordt vertaald door "populisten", zoals gewoonlijk wordt gedaan, zou het duidelijk zijn dat de armen in de steden worden opgenomen in het milieubewustzijn van de armen. Maar het woord 'populistisch' heeft in het Spaans niet de socialistische betekenis (egalitarisme, sociale en gemeenschapscontrole van de productiemiddelen, wereldvisie, effectieve verdwijning van de staat) die we in de Narodniki vinden zoals in de andere stromingen van de Eerste Internationale. Het gebruik van het woord narodnik mag de stedelijke bevolking niet uitsluiten.

We zouden ons kunnen afvragen of het milieubewustzijn van de armen gewoon een manifestatie is van het algemene fenomeen van inheemse en lokale weerstand tegen kapitalistische expansie in de periferie van de wereld, of dat het een ander voorbeeld is van de huidige scepsis over de vooruitgang van de beschaving, die Volgens postmoderne ideologen manifesteert het zich in de wederopstanding van religies, in kleinschalige nationalismen, in het verslaan van de visie op de geschiedenis als een universele analyse van het verleden die leidt tot een collectief project voor de toekomst.

Het antwoord op deze vragen is negatief. Het milieubewustzijn van de armen is de ideologie en praktijk van populaire strijd voor het behoud van natuurlijke hulpbronnen op het gebied van morele economie, en het is ook een verdediging die we in wetenschappelijke termen kunnen waarderen, van een economie die biodiversiteit waardeert en maakt redelijk gebruik van energie- en materiaalstromen, zonder onnodige hoop op toekomstige technologieën. Dit milieubewustzijn is geen postmodern voorbeeld van een gebrek aan vertrouwen in sociale en wetenschappelijke vooruitgang, maar (zoals Victor Toledo, de Mexicaanse ethno-ecoloog, zei) een manier van alternatieve moderniteit.

Er is een samenvloeiing tussen het milieubewustzijn van de arme en linkse politieke stromingen - waarvan de verre oorsprong conventioneel wordt gedateerd op de tijd van de Eerste Internationale, rond 1870 - en alternatieve stromingen van denken en gebruiken, naturisten, pacifisten en feministen, uit de 19e eeuw. tot de dag van vandaag. Deze wortels omvatten inheemse strijd om natuurlijke hulpbronnen te behouden en andere boeren- en arbeidersstrijd, maar ook kleine, defensieve, anti-staatnationalismen. Het Franse nationalisme is bijvoorbeeld pro-nucleair geweest, terwijl het Bretonse nationalisme anti-nucleair is. Ondertussen zou de linkerzijde die het verst van het populaire milieubewustzijn verwijderd, de twee belangrijkste politieke takken van het marxisme zijn: leninisme en sociaaldemocratie.

Ecologie en marxisme

Nu de Europese staten met gecentraliseerde economische planning en bureaucratische dictaturen aan het verdwijnen waren, moeten we ons de debatten van de Eerste Internationale herinneren over de verschillende manieren om socialisme te begrijpen. Bakoenins kritiek op Marx was dus voldoende. De Narodniki of Russische populisten (zoals Pyotr Lavrov) hadden de boeren en de gemeenschapseconomie politiek gewaardeerd. De twee belangrijkste takken van erfgenamen van het marxisme, de sociaaldemocratie - bereid om deel te nemen aan het zinloze bloedbad van 1914-1918 en ook aan koloniale oorlogen - en het leninisme - dat tot een ramp leidde - zijn niet de enige stromingen die voortkomen uit de arbeidersbeweging en radicale 19e eeuw. Het werd tijd om de ideeën van het anarchisme en het Russische populisme te herstellen, evenals die van Tolstoj, William Morris en Gandhi, temeer daar er een grotere ecologische gevoeligheid in deze stromingen was dan in de heersende marxismen. Aan de andere kant, in het liberalisme, ontbrak ook ecologische gevoeligheid.

Niet alleen het pseudo-marxisme van stalinistische oorsprong, gelukkig ter ziele, maar ook het Europese en Noord-Amerikaanse Nieuw Links weigerde deel te nemen aan de milieudiscussie. De arrogantie van leninistische oorsprong die sommige overgebleven marxistische groepen toonden ten opzichte van milieubewustzijn, was ronduit belachelijk. (Zeer laat had een dissidente auteur uit het Oosten, zoals Wolfgang Harich, een "communisme zonder groei" bepleit - de ondertitel van zijn werk was "Babeuf and the Club of Rome", verwijzend naar het rapport van Meadows voor de Club van Rome uit 1972 Een andere Oost-Duitse auteur, Rudolf Bahro, van grote bekendheid in de jaren tachtig, stak de grens over en sloot zich aan bij de Groenen).

Het marxisme was geen milieuactivist en daarom was er geen marxistische ecologische geschiedschrijving. Evenmin was er een 'burgerlijke' ecologische geschiedschrijving. Het idee van Raubwirtschaft in sommige pagina's van Jean Brunhes 'menselijke geografie was radicaler dan Braudels visie op de longue durée (lange termijn), waar geografie langzaam evolueert, economie sneller gaat en politiek een kwestie van korte termijn is. Maar juist ten tijde van de Habsburgers in Spanje en Filips II onderging de ecologie van de Amerikaanse zone van het Spaanse rijk ongekende veranderingen en een grote demografische ineenstorting. Ecologische veranderingen zitten niet altijd in de longue durée. Momenteel zijn het grote onnodige verbruik van energie en materialen in sommige landen van de wereld en de opeenhoping van gassen die het broeikaseffect veroorzaken, ecologische veranderingen die sneller gaan dan veranderingen in het economische systeem. Dit zijn vragen die geen deel uitmaakten van de marxistische geschiedschrijving of de normale economische geschiedschrijving.

Er waren al marxistische economen die geïnteresseerd waren in de tegenstrijdigheden tussen ecologie en economie. Een van hen, Elmar Altvater - in Die Zukunft der Marktes uit 1991, The Future of the Market, en ook in zijn vorige boek over de exploitatie van de Amazone - neemt de ideeën van Frederick Soddy (1877-1956) over de tegenstelling tussen de wet van entropie en de illusie van voortdurende economische groei. Het dringt ook aan op de kapitalistische verwarring tussen reële groei van rijkdom en fictieve groei van financieel kapitaal, van private en publieke schulden. Aan de andere kant verklaarde de theorie van James O'Connor sinds 1988 "de tweede tegenstelling van het kapitalisme". Aan de "eerste tegenstelling" tussen de accumulatie van kapitaal en het gebrek aan koopkracht van de uitgebuite grootstedelijke arbeidersklasse en het verarmde koloniale proletariaat en de boeren, moet een "tweede tegenstelling" worden toegevoegd. De kapitalistische expansie bederft zijn eigen "productievoorwaarden" (in het bijzonder ecologische omstandigheden), en de pogingen van het kapitalisme om de productiekosten te verlagen door milieu-uitgaven te externaliseren, hebben protestbewegingen op het gebied van het milieu aangewakkerd.

Deze analyse door O'Connor - en ook door Enrique Leff in Ecology and Capital (1986) - verklaarde tegelijkertijd de economische, ecologische en sociale dynamiek. Deze nieuwe sociale bewegingen hebben een diverse sociale samenstelling. Ze verzetten zich niet alleen tegen bedrijven, maar ook tegen de staat, aangezien deze verantwoordelijk is voor de beschikbaarheid van 'productievoorwaarden': stedelijke zonering, wegeninfrastructuur, drinkwater, ademende lucht, mineralen en fossiele brandstoffen die miljoenen jaren geleden geologisch geproduceerd zijn en moeten worden gehouden op een goede prijs ten koste van een oorlog indien nodig. In feite zou ik eraan willen toevoegen dat het kapitalisme niet alleen de 'productievoorwaarden' bederft, maar ook de bestaansvoorwaarden van in het nauw gedreven sociale groepen.

Er was nog steeds geen integratie tussen marxisme en milieubewustzijn

Uno podía encontrar en los textos de Marx diversos atisbos ecológicos y la presencia del concepto de “metabolismo social” pero el marxismo y el ecologismo no se habían integrado todavía. El gozne analítico de esa integración (les dije en 1992) ha de ser la redefinición de los conceptos de fuerzas productivas y condiciones de producción. El enfoque eco-socialista no destaca ya la contradicción entre la tendencia al crecimiento de la formación de capital y la explotación de la clase obrera, sino que resalta las dificultades que la escasez de recursos y la contaminación crean a la acumulación de capital. Hasta ahora, el marxismo ha sido más economicista que materialista-energetista. Es decir, la crisis del capital por el menoscabo de sus condiciones de producción sólo se haría sentir a través de valores de cambio, por la elevación de los precios. Efectivamente, en los 1970 las tasas de ganancia del capital disminuyeron al subir los precios de algunos recursos naturales lo que hizo crecer las rentas percibidas por sus propietarios, pero en la década de 1980 la tendencia había sido la contraria.

Eso no nos dice nada de interés sobre la articulación entre la ecología y la economía capitalista, ya que precisamente la problemática ecológica no se manifiesta necesariamente en los precios, pues los precios no incorporan costos ecológicos ni aseguran la reproducción de la naturaleza ni incluyen tampoco los trabajos gratuitos necesarios para la reproducción social. Son los movimientos sociales y no los precios los que ponen de manifiesto algunos de los costos ecológicos o pasivos ambientales. Que el petróleo hubiera bajado de precio no indicaba en 1992 que fuera más abundante que quince años atrás, indicaba solamente que el futuro estaba siendo infravalorado. Los precios de mercado pueden cuestionarse si se adopta un horizonte temporal más largo, que revalorice el precio de los recursos energéticos agotables. La cuestión es cuál es el sujeto social capaz de adoptar esta estrategia de revalorización frente los vecinos del Norte, que contemplan las importaciones de petróleo y gas natural no ya en términos de ventajas comparativas -falsamente computadas- sino en los términos inapelables de "seguridad nacional".

Ciencia, religión y sociedad

Las sociedades o grupos sociales actúan sobre el ambiente según las representaciones que se hacen de sus relaciones con él. Estas representaciones favorecen las extracciones devastadoras o, por el contrario, ejercen un efecto limitador sobre ellas. Por eso puede decirse que la historia natural es también historia social. Hasta la gran experiencia colonial de 1492 y hasta la industrialización masiva de Europa, la relación con el ambiente no ha sido pensada como dominación y transformación de la naturaleza sino como intercambios con las fuerzas naturales a menudo sacralizadas en mitos o cosmologías religiosas. Tal vez algunas religiones, como el cristianismo, estaban ya predispuestas al abuso de la naturaleza, pero en cualquier caso la predisposición no se pudo manifestar en la escala actual.

La salinización de tierras de regadío es un fenómeno pre-industrial y no-occidental. También puede ponerse en entredicho la eficiencia de algunas formas tradicionales de uso de la naturaleza. La agricultura itinerante de roza-tumba-y-quema, que provocaba las iras ignorantes de los administradores coloniales en África, se ha presentado más tarde como modelo de conocimiento agronómico y botánico indígena e incluso se ha elogiado como parangón de eficiencia energética.

Otros autores han señalado el hecho evidente que, si en el input energético de la agricultura itinerante incluimos la vegetación quemada, su eficiencia energética sería inferior incluso a la de la agricultura moderna, basada en combustibles fósiles. Si las calorías de la vegetación quemada no se han incluido en tales estudios del flujo energético en la agricultura, es porque se suponía la regeneración del bosque, lo que no siempre ha ocurrido.


Ahora bien, la escala de la actual civilización industrial no tiene precedentes. Vivimos de recursos almacenados en épocas geológicas remotas. En un año de producción económica consumimos muchos años de reservas. Las anteriores civilizaciones no hicieron esto. Por tanto, como afirmaba J.P. Deléage, en las civilizaciones "en las que los humanos son la fuerza productiva principal, la adaptación al ecosistema es el principio fundamental del funcionamiento de la sociedad", y puede esperarse que la misma atención que nuestra civilización dedica al desarrollo de tecnologías basadas en la expoliación de recursos naturales, se haya dedicado en esas otras civilizaciones a la observación y conocimiento del ambiente con vistas a su uso sostenible. Esa es la razón para pensar que las poblaciones tribales y campesinas son de por sí buenas conocedoras de las condiciones ecológicas, sin apelar a las virtudes innatas del hombre rústico.

No se debe despreciar el conocimiento popular que se expresa en la agro-ecología espontánea, o en la tradición vegetariana popular, o en la medicina alternativa, en nombre del gremialismo científico de agrónomos y médicos. Todas estas tradiciones naturistas -muy vinculadas, además a tradiciones del movimiento obrero de raigambre anarquista-, deben ser valoradas pero eso no supone, en modo alguno, sumarse alegremente a la filosofía irracionalista para la que da más o menos lo mismo la astrofísica que la astrología.

En ecología los expertos dialogan con los aficionados

Los problemas ecológicos son complejos, interdisciplinarios. Además, muchas veces son nuevos -al haber sido creados por las nuevas industrias. Por eso, ante la gran incertidumbre de muchas cuestiones ecológicas, observamos un fenómeno poco frecuente en otros campos: en las discusiones sobre el riesgo nuclear, sobre el peligro de las dioxinas y furanos, sobre los efectos del calentamiento global, sobre el valor de las semillas campesinas, participan en pie de igualdad los activistas ecologistas con los "expertos" de las universidades o de las empresas.

¿Por qué ocurre eso en bastantes discusiones ecológicas? Por un lado, los políticos habituales no han ocupado aún ese espacio, aunque la Cumbre de la Tierra de 1992 estaba diseñada precisamente para promocionar la imagen de dirigentes estatales como expertos o por lo menos interesados en ecología. Por otro lado, se trata de cuestiones inciertas, complejas, de consecuencias a largo plazo pero necesitadas de decisiones urgentes. Eso da la oportunidad, no para un enfrentamiento entre ecologistas y científicos, sino al contrario para un trabajo en común entre ecologistas populares que respeten los logros de las ciencias en terrenos bien acotados, y científicos que, más que "ciencia para el pueblo" hagan "ciencia con el pueblo", dispuestos a confesar los límites de su saber sobre los inciertos problemas futuros que el ecologismo plantea. En 1992 preguntaba: ¿Quién puede hoy, honestamente, atacar la agroecología en nombre del avance científico-técnico de las biotecnologías? ¿Quién puede pronunciarse contra los ecologistas en nombre de la energía de fusión no por supuesto la "fría", sino la caliente? ¿No es esta certidumbre más extravagante que la mayor extravagancia de un curandero?

En la India, Ramachandra Guha había identificado tres tendencias ecologistas: los gandhianos, los partidarios del "ecodesarrollo" y las "tecnologías apropiadas", y los marxistas ecológicos. Guha llamaba a la colaboración entre esas tres corrientes, que se diferenciaban por su actitud hacia la ciencia. Los gandhianos eran menos favorables a la ciencia "occidental" que las otras dos corrientes, eran críticos con la modernidad. En cambio, los marxistas ecológicos tenían grupos llamados "ciencia para el pueblo", lo que recuerda un eslogan de los narodniki rusos de la época de Piotr Lavrov: "Ciencia y Revolución". La idea de que el conocimiento indígena es frecuentemente superior al ofrecido por los agrónomos extranjeros no supone una actitud anti-científica. Al contrario, implica una crítica de la insuficiencia científica y de la autosuficiencia social de esos técnicos vendedores de semillas y pesticidas. A menudo, los intentos de cambiar las prácticas campesinas en nombre de una racionalidad superior que se presentaba como científica, pero que era mala ciencia, han coincidido con los intentos de incluir en la esfera "económica" una producción y unos recursos naturales que todavía estaban fuera de ella. El ecologismo no es anti-científico. Ahora bien, la perspectiva ecológica implica una integración o una articulación de los conocimientos de diversas ciencias.

El “ecologismo de los pobres” en la India

En esas palabras de 1992 recogidas en Envío Digital insistía en el eco-socialismo y en el agrarismo o neo-narodnismo ecologista. Esta última es una palabra difícil. Quería vincular ese ecologismo popular a corrientes de la Primera Internacional. Así quienes lamentaban la caída de los regímenes de Rusia y Europa oriental tendrían donde refugiarse. En la tierra de Mariátegui y hablando a la izquierda latinoamericana, pensaba que palabras como eco-socialismo y neo-narodnismo ecologista serían bien recibidas.

Veo también que en 1992 citaba los informes del CSE de Delhi de Anil Agarwal, quien con Sunita Narain en 1991 había propuesto derechos iguales para todos los humanos a los sumideros de dióxido de carbono y a la atmósfera en un folleto titulado Global warming: a case of environmental colonialism, propuesta asumida con entusiasmo por la izquierda verde internacional aunque ausente por 20 años de las negociaciones oficiales intergubernamentales. Hoy se habla mucho más que entonces de la Deuda Ecológica o Deuda Ambiental o Deuda Climática que el Norte tiene con el Sur por su desproporcionado uso durante tanto tiempo de los océanos y la atmósfera para evacuar las emisiones de dióxido de carbono que proceden de la quema de combustibles fósiles. Hay una campaña internacional desde las ONGs con fuerte impulso de Acción Ecológica de Ecuador y con origen ya remoto en campañas del Instituto de Ecología Política de Chile en 1992 (www.deudaecologica.org) para reclamar esa deuda.

El CSE publica cada dos semanas la revista Down to Earth y en el número del 15 agosto del 2008, bastantes años después de nuestras primeras coincidencias, Sunita Narain daba algunos ejemplos de lo que ella denomina learning from the environmentalism of the poor to build our common future, aprender del ecologismo de los pobres para edificar nuestro futuro común.

En Sikkim, el gobierno ha cancelado once proyectos hidroeléctricos atendiendo a las protestas locales. En Arunachal Pradesh, las represas están siendo aprobadas a toda velocidad y la resistencia está creciendo. En Uttarakhand en el último mes, dos proyectos en el Ganges han sido detenidos y hay mucha preocupación con el resto de proyectos mientras en Himachal Pradesh, las represas despiertan tanta oposición que las elecciones han sido ganadas por candidatos que dicen que están en contra de ellas. Muchos otros proyectos, desde centrales termo-eléctricas a minas en zonas agrícolas, tropiezan con resistencia. La mina de hierro, la fábrica de acero y el puerto propuestos por el gigante sur-coreano Posco son discutidos, aunque el primer ministro ha asegurado que tendrán luz verde este mismo mes de agosto. La gente local no quiere oír eso, no quiere perder sus tierras y su subsistencia, no confía en las promesas de compensación. En Maharashtra, los cultivadores de mangos se levantan contra la central térmica de Ratnagiri. En cualquier rincón donde la industria intenta conseguir tierra y agua, la gente protesta hasta la muerte. Hay heridos, hay violencia, hay desesperación, y nos guste o no, hay miles de motines en la India de hoy. Tras visitar Kalinganagar, donde hubo muertos en protesta contra el proyecto de las industrias Tata, escribí que el tema no era la competitividad de la economía de la India ni tampoco el Naxalismo. Los que protestaban eran aldeanos pobres sin la capacidad de sobrevivir en el mundo moderno si perdían la tierra. Habían visto como sus vecinos eran desplazados, como no se cumplían las promesas de dinero o empleo. Sabían que eran pobres y que el desarrollo económico moderno les empobrecería más. También es así en Goa, que es más próspera pero donde he visto que pueblo tras pueblo resiste contra el poderoso lobby minero…

Esta no es una lista completa de los conflictos ambientales en India. Hay muchos más. En Orissa hay conflictos gravísimos en territorios de adivasis (indígenas) por extracción de bauxita y contaminación de las refinerías de aluminio, en Jarkhand por minería de uranio y de carbón, en Alang en Gujarat por los daños a la salud y al ambiente por el desguace de barcos de todo el mundo que van a parar a esas playas…

Fui por primera vez a la India en agosto del 1988, a Bangalore a una reunión de activistas ecologistas. El organizador me invitó porque leyó mi libro de 1987, Ecological economics: energy, environment and society, donde me preguntaba quien “consumiría” socialmente la nueva economía ecológica inspirada por Georgescu-Roegen, Kenneth Boulding, Howard Odum, David Pimentel, Herman Daly, qué grupos se aprovecharían de nuestras críticas académicas a la economía convencional. Por ejemplo, hoy la Vía Campesina, un movimiento internacional, usa acertadamente argumentos de la economía ecológica en su defensa del campesinado y de la “soberanía alimentaria”, al insistir en la menor eficiencia energética de la agricultura moderna.

En Bangalore en esa ocasión conocí a Ramachandra Guha que estaba acabando su libro sobre el movimiento Chipko en Garwhal y Kumaun en Uttarakhand en el Himalaya. Ese libro da la base para la teoría del ecologismo de los pobres. No es que la gente pobre sea siempre ecologista. A veces destruyen el medio ambiente, sobre todo al aumentar la población. Pero en los conflictos ambientales, muchas veces vemos que se ponen del lado de la conservación de la naturaleza. En The Unquiet Woods (1989, reeditado varias veces) Ramachandra Guha explicaba los diversos lenguajes y formas de resistencia campesina desde la época colonial contra las plantaciones comerciales de árboles (pinos, chir) en esa región, porque querían seguir usando sosteniblemente el bosque de robles (banj), cuyas hojas y ramas aprovechaban. En los años 1970, el movimiento Chipko (que quiere decir “abrazarse” a los árboles para evitar que los corten) se oponía a los talabosques industriales. Los líderes de Chipko se referían a los resistentes de cincuenta años atrás que eran también reconocidos en las narraciones y canciones populares. Con Ramachandra Guha, recogí algunos estudios comparados del ecologismo de los pobres en nuestro libro Varieties of Environmentalism de 1997.

Voces en Perú: Tambogrande, Huancabamba, Islay

También en 1988 estuve en Lima en diciembre hablando por primera vez en Perú del ecologismo de los pobres en un acto organizado por el historiador Alberto Flores Galindo (1949-90) en el centro de estudios SUR que había fundado. Con Tito Flores Galindo habíamos publicado en ese año un artículo en la revista Mientras Tanto de Barcelona, trazando las líneas generales de la historia ambiental-económica-social del Perú. Conocí entonces a Manuel Boluarte, asistente del entonces Senador Hugo Blanco, conocido dirigente campesino en Perú desde los años 1960 que presidía la comisión de Medio Ambiente en el Senado, y de esa confluencia de ideas surgió un texto vigoroso de Hugo Blanco llamado El Ecologismo de los Pobres, publicado en el diario La República el 6 de Abril de 1991, y ahora disponible en la web. El artículo dice así.

A primera vista los ecologistas o conservacionistas son unos tipos un poco locos que luchan porque los ositos panda o las ballenas azules no desaparezcan. Por muy simpáticos que le parezcan a la gente común, ésta considera que hay cosas más importantes por las cuales preocuparse, por ejemplo, cómo conseguir el pan de cada día. Algunos no los toman como tan locos sino como vivos que con el cuento de velar por la supervivencia de algunas especies han formado "organizaciones no gubernamentales" para recibir jugosas cantidades de dólares del exterior (…)

Pueden ser verdaderas hasta cierto punto esas opiniones, sin embargo en el Perú existen grandes masas populares que son ecologistas activas (por supuesto si a esa gente le digo "eres ecologista" pueden contestarme "ecologista será tu madre" o algo por el estilo). Veamos: No es acaso ecologista muy antiguo el pueblo de Bambamarca que más de una vez luchó valientemente contra la contaminación de sus aguas producida por una mina? No son acaso ecologistas los pueblos de Ilo y de otros valles que están siendo afectados por la Southern? No es ecologista el pueblo de Tambo Grande que en Piura se levanta como un solo puño y está dispuesto a morir para impedir la apertura de una mina en su pueblo, en su valle? También es ecologista la gente del Valle del Mantaro que ha visto morir las ovejitas, las chacras, el suelo, envenenados por los relaves de las minas y el humo de la fundición de La Oroya. Son completamente ecologistas las poblaciones que habitan la selva amazónica y que mueren defendiéndola contra sus depredadores. Es ecologista la población pobre de Lima que protesta por estar obligada a bañarse en las playas contaminadas.

Desde entonces ha habido muchos otros conflictos del ecologismo popular en Perú. De los mencionados por Hugo Blanco son actualmente conocidos mas allá del Perú los de la Southern Peru Copper Corporation; Tambogrande (minería de oro en Piura); Bambabarca (contra la minera Yanacocha en Cajamarca). También La Oroya, lugar no solo de históricos conflictos ambientales sino de horrible contaminación actual causada por la empresa Doe Run. El ambientalismo o ecologismo popular no es nuevo aunque sí lo sea el uso de estas palabras.

El referéndum ambiental local

En la historia del Perú del siglo XX, hubo movimientos contra daños ecológicos de la minería. El motivo ecológico aparece asimismo en movimientos urbanos por el agua o contra las basuras. También en el campo, los intentos de recuperar los pastos de las haciendas por las comunidades, se relacionaban con la complementariedad de recursos de la puna y de otros niveles más bajos, aunque también nacían del sentimiento y de la realidad de una usurpación, y a menudo usaban argumentos jurídicos y de identidad indígena más que argumentos ecológicos.

Diez años después del artículo de Hugo Blanco, en el pueblo de Tambogrande nació una nueva institución, el referéndum ambiental local, paralizando el proyecto minero. Esa misma forma de resistencia fue adoptada con éxito en Esquel, Argentina, aprovechando una coyuntura propicia a nivel nacional, y en el propio Perú contra el proyecto Majaz de minería de cobre en el norte. Ha habido hace poco un nuevo referéndum local ambiental contra un proyecto minero, esta vez en Islay, región de Arequipa. Los pobladores se organizaron en el Frente de Defensa del Medio Ambiente y Recursos Naturales. Resumo la narración de Rafael Chacón en el boletín E-cochaski, el domingo 27 de septiembre (2009) se produjo al sur del Perú…(el) acto que, para fines concretos, se denominó, a nivel de la provincia de Islay, consulta vecinal. Consulta desconocida por el Estado central a través de sus instancias pertinentes (la Oficina Nacional de Procesos Electorales y el Jurado Nacional de Elecciones), como era de esperarse, dada su ceguera normativa al respecto. Y, como también era de esperarse, la negativa al proyecto minero consultado rozó el 100%, a semejanza de los casos piuranos que la precedieron (Tambogrande y Majaz, donde el No alcanzó 94%, para ambos). En ese sentido, esta vez el rechazo al proyecto minero Tía María fue aún más contundente (97%) que en las otras dos localidades. La causa del No volvía a ser en primer lugar, a nivel de percepciones, la incompatibilidad del proyecto agrícola local con el proyecto minero foráneo.

Tantos conflictos ha habido por el auge de la minería para servir materiales a las economías del mundo, que en Perú surgió una organización de comunidades afectadas por la minería, la CONACAMI cuyo primer dirigente fue Miguel Palacín quien hoy está en la CAOI, Coordinadora Andina de Organizaciones Indígenas. Celebrando el resultado de la Consulta Vecinal en Islay, la CAOI demandaba a las autoridades competentes que den carácter vinculante a sus resultados, como lo establece el Convenio 169 de la OIT. Encajaba así lo local con lo global. La CAOI reiteraba sus propuestas de dar rango de Ley Orgánica a la Declaración sobre los Derechos de los Pueblos Indígenas de la ONU, así como promulgar una Ley de Consulta y Consentimiento Previo, Libre e Informado a fin de prevenir y evitar conflictos provocados por la incursión de proyectos extractivos en territorios comunales.

Como explica Luís Vittor en E-cochaski, el proyecto de Islay (de la Southern Peru Copper Corporation, propiedad del Grupo México) invertiría más de US$ 950 millones y tendría una duración de 21 años para extraer cobre a través de dos tajos abiertos. Utilizaría las aguas de pozos en el valle del río Tambo. Para los pobladores locales, el proyecto afectaría la disponibilidad de agua, lo cual limitaría la producción de arroz, caña de azúcar y páprika en ese valle. El proyecto debía presentarse en audiencia pública en agosto de 2009 en el distrito de Cocachacra. En paralelo a lo ocurrido en Tambogrande ocho años atrás, la audiencia fue suspendida por la oposición local. La autoridades locales iniciaron entonces la convocatoria a la consulta vecinal.

Luís Vittor observa que hay una valoración creciente de las actividades productivas propias y los recursos naturales de los que depende la vida y la subsistencia local. Nótese que “valorar” significa dar importancia o valor a algo, no necesariamente en términos crematísticos. En Tambogrande, tras una victoria contundente del "no a la minería", el gobierno desistió de continuar apoyando el proyecto. En Ayabaca y Huancabamba,, a dos años de la consulta, el proyecto minero Majaz de la empresa Río Blanco Copper no ha logrado avanzar y sus directivos son enjuiciados en Londres por violación a los derechos humanos de los pobladores. En ambos casos hubo respaldo nacional e internacional a los procesos de resistencia. La realización de consultas colocó en discusión el tema de la democracia local versus el supuesto interés nacional.

Sin embargo, los minerales están allí y las empresas mineras siguen rondando. Mucho depende de la marcha del metabolismo de la economía mundial.

El movimiento ecologista global se nutre de las resistencias locales y a veces les devuelve lo aprendido. Así, Michael Watts ha sacado un film llamado Laguna Negra en octubre del 2009 que trata de las torturas a treinta campesinos por la policía y trabajadores de la mina Majaz, muy cerca a la frontera con Ecuador. Esa comunidad de Huancabamba es amenazada por la masiva extracción de recursos naturales en una sociedad basada en valores comunitarios tradicionales (http://www.vimeo.com/7086921 (español), http://www.vimeo.com/6942613 (inglés)).

El referéndum de Islay es sin duda un mejor modelo de decisión de políticas publicas que el sangriento encuentro en Bagua el 5 de junio del 2009 entre organizaciones amazónicas y la policía peruana, cuya causa fue la repulsa a decretos-leyes del gobierno del presidente Alan García que facilitaban el acceso a tierras indígenas por empresas privadas. Con Martí Orta, investigador que conoce los conflictos de extracción de petróleo en el Río Corrientes en territorio Achuar en el norte de Perú, escribimos sobre los antecedentes del “Baguazo”, un episodio lamentable que ojala ayude a cambiar para bien la trayectoria política de Perú (www.sinpermiso.info/textos/index.php?id=2642) (Le Monde Diplomatique, ed. española, n. 165 julio 2009).

En México

Se ha dicho que la defensa del ambiente por los pobres es, en México, una actividad peligrosa. El profesor Víctor Toledo de la UNAM, mi amigo desde hace años, usó el concepto del ecologismo de los pobres para caracterizar episodios de lucha contra la deforestación en un artículo en Ecología Política en 2000. Toledo se remonta al 22 de octubre de 1992 cuando la prensa publicó una pequeña nota que pasó como agua de río: “Esta madrugada fue asesinado Julián Vergara, líder campesino y presidente del comisariado ejidal de El Tianguis, por un desconocido que le disparó en el pecho con una escopeta. El hoy occiso era un ecologista que se oponía a la tala inmoderada de los bosques en el municipio de Acapulco”. Hasta donde se sabe nadie dio seguimiento legal o periodístico a esta infamia y, como suele suceder en el país del desamparo y la injusticia, el recuerdo del sacrificio de Julián Vergara quedó sepultado bajo las pesadas losas del tiempo, de un tiempo desmemoriado y cruel.

¿Cúantos Julianes Vergara habrán sucumbido en su heroica defensa de los bosques, los manantiales, las lagunas y los ríos de México? Yo sueño con el día en que podamos reconstruir esas historias de ignominia y logremos rescatar del gélido silencio a los cientos, quizás miles, de héroes campesinos, tan anónimos como silvestres, que han arriesgado su vida (como lo hace una hormiga dentro de su colonia) para preservar el habitat y los recursos naturales de la nación y del mundo, es decir, de todos los seres humanos. Con ello advertiríamos que esa conciencia de solidaridad con la naturaleza, con el prójimo y con las generaciones del futuro, que con tanto afán buscan hoy en día los ecologistas de todo el mundo, se encuentra presente en el inconsciente colectivo y en las culturas de innumerables pueblos rurales, ésos que han sabido mantenerse a salvo de la contaminación más peligrosa: la de un mundo empeñado en privilegiar los valores del individualismo y de la competencia. Con ello descubriríamos también que entre los antiguos mártires campesinos de las luchas agrarias y los nuevos defensores rurales de la naturaleza no hay más diferencia que la que nos dan nuestros aparatos conceptuales de moda. Los «zapatas» de hace un siglo hoy son, para utilizar el término cada vez más difundido, los nuevos «ecologistas de los pobres».

El artículo de Víctor Toledo a continuación comparaba la ignorancia y el olvido de tantos héroes campesinos de la defensa del ambiente con los merecidos honores que recientemente se le habían dado a Rodolfo Montiel, al recibir el Premio Goldman por su oposición a la empresa Bois Cascade en Guerrero.

Seguramente el mismo impulso que llevó a Julián Vergara a defender los bosques de su ejido fue el que prendió la llama que hizo encender en Rodolfo Montiel la idea de crear la Organización de Campesinos Ecologistas de la Sierra de Petatlán, a través de la cual lograron detener, siete años después, la destrucción de los bosques de Guerrero y provocar la salida de la empresa forestal trasnacional Bois Cascade. Al recibir el premio… el luchador rural Rodolfo Montiel dejó de ser un Julián Vergara más para volverse, como Chico Mendes, en Brasil, un nuevo símbolo del ecologismo de los pobres. A pesar de que fue brutalmente torturado por elementos del ejército mexicano y terminó en la cárcel de Iguala sin justificación suficiente, Montiel, al estar vivo, rememora y reivindica a todos aquellos ambientalistas anónimos de cuyos nombres ya no logramos acordarnos…

En el 2009

La noción del ecologismo de los pobres es útil para entender resistencias actuales. Así, en La Jornada del 26 de mayo del 2009. Luís Hernández Navarro recopilaba algunos casos bajo el título: “el otro ecologismo y los derechos humanos”, como los de Verónica Hernández, acosada judicialmente por Granjas Carroll en Perote, Veracruz (un lugar de concentración de producción de cerdos); Santiago Pérez, preso durante meses por defender el agua de las comunidades mazahuas; Agustín Ríos, salvajemente golpeado por la policía por luchar contra la operación de una mina. El 6 de mayo del 2009 habían sido desalojados por la policía oaxaqueña integrantes del Comité de Defensa de los Derechos del Pueblo y de la Coordinadora en Defensa de los Recursos Naturales y Nuestra Madre Tierra del valle de Ocotlán, que protestaban contra la minería. Algunos miembros fueron acusados de los delitos de lesiones, despojo y ataque a las vías generales de comunicación. Eso recuerda el intento de ilegalizar la organización amazónica AIDESEP por el gobierno de Alan García y el exilio forzoso de su dirigente Alberto Pizango tras el 5 de junio de 2009.

Aldo Zamora, comunero tlahuica del estado de México y defensor de los bosques, fue asesinado el 15 de mayo de 2007. Su hermano Misael quedó gravemente herido. Ambos fueron emboscados por talamontes cuando se dirigían a Santa Lucía, Ocuilán, estado de México. El periodista explica: Desde 1998, Ildefonso Zamora, padre de Aldo Zamora y presidente de bienes comunales de San Juan Atzingo, denunció la explotación ilegal de los bosques de su pueblo, ubicado en el Parque Nacional Lagunas de Zempoala. Casi dos meses después del crimen, el 12 de julio de 2007, el presidente Felipe Calderón le prometió que habría justicia… el 7 de enero, la Presidencia de la República envió una carta a Ildefonso en la que le señala que el caso es competencia del gobierno estatal… Los bosques de San Juan Atzingo se encuentran dentro del corredor biológico Ajusco-Chichinautzin, que alberga 2 por ciento de la biodiversidad mundial, abastece tres cuartas partes del agua que se consume en la ciudad de México y dota del líquido a los ríos Lerma y Balsas. Sin embargo, la zona de las Lagunas de Zempoala-Huitzilac está severamente amenazada por la tala ilegal. Aldo Zamora es uno más de los activistas ambientales víctimas de la represión.

El periodista concluye: quienes son agredidos defienden su agua, sus bosques, sus recursos naturales, sus comunidades, su biodiversidad, su salud, su tierra y territorio frente a la voracidad depredadora de empresas inmobiliarias, plantas procesadores de basura mexicana o importada, desarrollos turísticos, mineras trasnacionales, complejos agroindustriales, talabosques, compañías farmacéuticas y proyectos hidroeléctricos. Con regulaciones ambientales débiles y autoridades gubernamentales corruptas, con tratados comerciales que como parte de las ventajas comparativas ofrecen la destrucción impune del ambiente, los grandes consorcios multinacionales tienen licencia para devastar. Con frecuencia, disponen del uso de la fuerza pública para acallar la resistencia de las comunidades afectadas… se han producido violaciones a los derechos humanos en: el plan turístico de la sierra Tarahumara; la construcción de las presas El Tigre y la Cabeza; el Centro Industrial para Manejo de los Residuos Industriales y Disposición Final en Coahuila; el proyecto de la hidroeléctrica en La Parota, Guerrero; el confinamiento de desechos tóxicos en Zimapán, Hidalgo; la edificación de plantas de etanol en Oaxaca y Veracruz.

Un caso más: el Zapotillo

La Jornada (Jalisco, 7 marzo 2009) explicaba el proyecto de represar las aguas del río Verde, con el fin de abastecer de agua potable a la ciudad de León, Guanajuato, así como a algunas poblaciones de Los Altos de Jalisco. El proyecto implica inundar las poblaciones de Temacapulín y Palmarejo, en el municipio de Cañadas de Obregón; Acasico, en el municipio de Mexticacán, y el rancho La Parada, en el municipio de Yahualica de González Gallo. El problema surge de la resistencia de los habitantes afectados cuyas movilizaciones –decía Mario Edgar López – rompen con el falso mito de que la defensa y conservación del ambiente son un lujo de las sociedades ricas. Resume este periodista, en el 2005, los pueblos de Temacapulín, Acasico y Palmarejo se encontraban plagados de pequeños letreros de protesta, pegados en las casas, en los postes y en los árboles. Algunos con leyendas como “Dau, los niños de Palmarejo te pondrán parejo” (en referencia a Enrique Dau Flores, anterior director de la Comisión Estatal del Agua)…

De 30 millones de pesos destinados a compra de casas en Temacapulín se había desembolsado 5 millones. No existía un acuerdo de los afectados como anunciaba la Comisión Estatal del Agua (CEA) de Jalisco, solo algunos ciudadanos de Temacapulín vendieron dos propiedades y se reubicaron en tres casas. La mentira institucionalizada que afirmaba una aprobación general para el proyecto de la presa, quedaba al descubierto. La cobertura el 27 febrero y 1 de marzo de 2009 por la radio y televisión de la Universidad de Guadalajara transmitiendo desde el poblado de Temacapulín, consiguió equilibrar la balanza informativa a favor del ecologismo de los pobres. Las entrevistas a diversos pobladores de la comunidad refieren su exigencia de justicia ambiental: “está bien que quieran dar agua a León, pero no a costa de echarnos, no a costa de inundar nuestras casas, nuestra iglesia y las tumbas de nuestros antepasados.

Al hablar de la iglesia del pueblo y de las tumbas, se apela a un valor de sacralidad contrapuesto a la valoración crematística. Al final, si la represa se construyera, sabemos que se pagaría indemnización aunque si las tumbas son modestas y de gente pobre, resultarán baratas. Eso me recuerda una cante oído en el campo en Andalucía y que está en mi libro La estabilidad del latifundismo (1968): Caridad, que a mi padre de la tumba le sacaron / para un rico enterrarlo/ Dicen que los hombres somos hermanos / pero los pobres hasta muertos estorbamos.

Como en otros casos, en torno a la construcción de la presa El Zapotillo, se libra una lucha ecológica silenciada entre el desarrollo insostenible y el derecho a la subsistencia de la vida humana de los más débiles; ya que (como señala Mario Edgar López) el desplazamiento a otros lugares es un costo que se les está obligando a pagar a los pobladores debido a su posición de debilidad frente al poder.

Otros casos mexicanos

Ni los pobres son siempre ecologistas ni los ecologistas son siempre pobres. Hay empero numerosos casos en el mundo de ecologismo de los pobres y de pueblos indígenas empobrecidos, tanto histórica como actualmente. Hay también casos interclasistas en México y en otros países, tales como las protestas contra centrales nucleares o el exitoso juicio con sentencia definitiva en 2009 contra la empresa canadiense New Gold propietaria de la Minera San Xavier en el Cerro San Pedro en San Luís Potosí que lleva años de minería a cielo abierto y empleo de cianuro en una zona protegida. Hay también muchos ejemplos de un ecologismo (representado por Nature Conservancy, la IUCN, el WWF) que rinde culto a la naturaleza silvestre y se olvida de los pobres humanos, aunque también hay a veces colaboración entre ese ecologismo de ricos y el ecologismo popular: por ejemplo, la defensa de los manglares y de los bosques puede ser un empeño común.

Apelando a la memoria de visitas anteriores a México, incluyo en el ecologismo popular mexicano el vasto movimiento en defensa de la biodiversidad del maíz contra las importaciones y contra la legalización de semillas transgénicas; las protestas contra la deforestación y el surgimiento de la gestión comunitaria y sostenible de bosques como en los Pueblos Mancomunados de Oaxaca; las protestas contra los daños de la extracción de petróleo en Tabasco y Campeche expresadas en el Pacto Ribereño; los movimientos por apropiación de tierras y agua contra los monocultivos de eucaliptos o pinos para cartón o papel (por ejemplo, contra la empresa Smurfit como en Colombia o Venezuela); la defensa de tierras comunitarias contra la represas, contra algún aeropuerto (San Mateo Atenco), contra canchas de golf (Tepoztlan); la resistencia contra la importación de residuos amparada por el NAFTA que dio lugar al paradójico juicio de Metalclad contra el estado de San Luís Potosí y el municipio de Guadalcázar; las protestas por la contaminación de las maquilas en Tijuana y otros lugares; las protestas locales por la destrucción de manglares (si no en México, sí en Guatemala y Honduras). Hay también muchos casos urbanos de ecologismo popular. Tal vez en la UNAM alguien esté escribiendo una gran tesis doctoral sobre el ecologismo de los pobres en México. Que recuerde que la protesta inicial de Emiliano Zapata en Morelos fue porque un ingenio azucarero se llevaba el agua. “Tierra, Agua y Libertad”.

En conclusión

Hubo un ecologismo redistributivo en la década de 1970, como el de Barry Commoner y Nicholas Georgescu-Roegen (quien en 1972 en Estocolmo propuso la libertad irrestricta de emigrar, lo cual obligaría a corregir a fondo las desigualdades sociales). Pero eso fue dejado de lado con el slogan del “desarrollo sostenible” del informe Brundtland de 1987 que pretendía compatibilizar crecimiento económico y sustentabilidad ecológica. Mis tesis de partida en Lima el 1992, resumidas por Envío Digital, no eran las de “desarrollo sostenible” sino que fueron estas:

– El crecimiento económico tropieza con obstáculos ecológicos. Pero ni los neoliberales ni la mayoría de los marxistas, reconocen esos obstáculos.

– El socialismo debe abrirse a la ecología. Ya en el anarquismo y en el populismo ruso hubo sensibilidad ecológica, pero hay 120 años de divorcio entre el marxismo y la ecología.

– Existe un ecologismo de la abundancia y un ecologismo de los pobres. Todas las luchas contra la militarización son ecológicas y también muchas luchas anti-imperialistas.

– Hoy los cambios ecológicos van más de prisa que los económicos aunque podemos afirmar que ninguna civilización ha sido ecológicamente inocente.

En resumen, veinte años después vemos efectivamente que la riqueza es la causa principal de la degradación ambiental, ya que el consumo derrochador de energía y materiales es mayor entre los ricos, así como es mayor la producción de desechos que resulta de ese consumo. La economía no se desmaterializa. El metabolismo de la economía no cesa de crecer, brevemente interrumpido en esta trayectoria por la crisis del 2008-09. Crecen por tanto los conflictos ecológico-distributivos por extracción y transporte de recursos y por exportación o evacuación de residuos (incluido el dióxido de carbono), causando protestas contra la transferencia de costos ambientales hacia los pobres y políticamente débiles.

La percepción ecológico-popular se expresa a veces en la terminología científica de flujos de energía y materiales, de pérdida de biodiversidad, cambio climático, recursos agotables y contaminación, pero ese no es siempre el lenguaje utilizado por los movimientos ecologistas actuales o históricos. Ellos disponen de otros lenguajes.

La necesidad de la supervivencia hace a los pobres conscientes de la necesidad de conservar los recursos y servicios ambientales. Esta consciencia a menudo es difícil de descubrir porque utiliza lenguajes locales, a veces religiosos, y apela a los distintos valores presentes en la cultura local. Esas luchas se expresan a menudo como una defensa del territorio y apelan a la identidad comunitaria e indígena pero su raíz no está en lo identitario y territorial sino en la defensa de la subsistencia, de la oikonomia, frente al crecimiento del metabolismo depredador de la economía mundial.

Ha habido y hay cada vez más luchas sociales dirigidas a mantener el acceso popular a los recursos naturales contra la privatización (o contra la estatización). El mercado (y también por otras razones el Estado) no valora los costos ecológicos o pasivos ambientales. Por tanto, las luchas sociales de los pobres para mantener el uso de los recursos naturales fuera de la economía mercantil (o fuera de la administración estatal) son, al mismo tiempo, luchas por la conservación de la naturaleza.

Tal como indicaba Luís Hernández Navarro en La Jornada (26 mayo 2009), las movilizaciones ecologistas de los pobres son uno de los principales terrenos de confrontación social actual. Muchos conflictos sociales de hoy y en la historia, tienen un contenido ecológico, al intentar los pobres mantener bajo su control los servicios y recursos ambientales que necesitan para su vida, frente a la amenaza de que pasen a ser propiedad del Estado o propiedad privada capitalista, y frente al crecimiento del metabolismo de la economía en términos de cantidades de energía y materiales y producción de desechos. Los pobres luchan contra los impactos ambientales que los amenazan, convirtiéndose en defensores de los ecosistemas al luchar por sus tierras, su patrimonio, su cultura, su paisaje y su lugar de habitación. Soms zijn ze nog steeds terughoudend om zichzelf milieuactivisten of ecologen te noemen, wat aan de andere kant recente termen zijn in de sociale geschiedenis.

Op de dag dat hij deze conferentie bij UNAM hield, pakte de pers de zaak van Miguel Angel Pérez op. Ik zei zo: “Hoewel ik de directe redenen voor de gebeurtenis negeer en er veel gewelddadige sterfgevallen zijn in Mexico die weinig met milieubewustzijn te maken hebben, is het schokkend om precies te lezen in de huidige pers (Crónica, 3 november 2009, p. 5) het nieuws dat de milieuactivist, boerenleider Miguel Angel Pérez Cazalez, werd vermoord in de inheemse gemeenschap van Ocotopec in het noordoosten van Morelos. Hij had een sterke verdediging van het beschermde gebied El Texcal ontwikkeld tussen de gemeenten Tepoztlan, Jiutepec en Yautepec. Hij behoorde tot de organisatie genaamd Thirteen Peoples in Defense of Water and Earth. ”. Als ik deze tekst corrigeer, komt het nieuws dat gisteren, 27 november, in Chicomuselo in Chiapas, Mariano Abarca, een van de belangrijkste tegenstanders van de exploitatie van barietmijnen door het Canadese bedrijf Black Fire, werd vermoord. Volgens het Mexicaanse netwerk van door mijnbouw getroffen mensen (Rema-Chiapas) werden de schoten afgevuurd door een motorrijder. Op 17 augustus werd Mariano Abarca gearresteerd door het kantoor van de procureur-generaal van de staat, beschuldigd door de Black Fire van verschillende misdrijven. Onder nationale en internationale druk werd hij op de 24ste van dezelfde maand vrijgelaten en nam hij samen met zijn collega's in Chicomuselo deel aan de sit-in om het vertrek van het bedrijf te eisen.

Het milieubewustzijn van de armen verwijst naar conflicten die worden veroorzaakt door economische groei en sociale ongelijkheid, waarbij de negatieve effecten op het milieu door het winnen van hulpbronnen en het evacueren van afval worden geleden en betaald door sociaal gemarginaliseerde groepen. Vaak vinden deze conflicten plaats aan de winningsgrenzen, in inheemse landen en vluchtgebieden waar geen journalistieke berichtgeving is. Deze weerstand is ecologisch, zelfs als de beweging dat bijvoeglijk naamwoord niet draagt.

Die populaire milieubewegingen verliezen vaak de wedstrijd. Deskundigen winnen bij het oplossen van conflicten als gevolg van de dood van een van de partijen, gevangenschap, gedwongen ballingschap, omkoping van leiders, georganiseerde opdeling van gemeenschappen door adviseurs van regeringen en bedrijven ... Soms wint het volksverzet voorlopig tot die nieuwe staat -gesteunde mijnbouw, olie, papier, hydro-elektrische investeerder verschijnt. Maar laten we optimistisch zijn: deze bewegingen zijn een belangrijke sociale kracht op zoek naar bondgenoten over de hele wereld om de economie op een eerlijker en duurzamer pad te brengen. Alternatieven worden geboren uit weerstanden.

Joan Martinez Alier - CEIICH-PUMA, UNAM, Mexico, 3 november. 2009


Video: FKJ live at Salar de Uyuni in Bolivia for Cercle (Mei 2022).